Glycerinewater voor biovergisting is bijproduct; géén afvalstof

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) heeft op 3 oktober 2018 uitspraak gedaan in het hoger beroep tussen de Provincie Drenthe en biodieselfabrikant SunOil in Emmen. Het betreft de vraag of glycerinewater dat wordt toegepast in biovergisting een afvalstof is of niet. De RvS komt tot de conclusie dat het in dit geval gaat om een bijproduct.

De Raad van State heeft geanalyseerd of voldaan wordt aan de vier voorwaarden uit het eerste lid van artikel 5 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Daar wordt gesteld dat sprake is van een bijproduct als wordt voldaan aan de volgende vier voorwaarden:

  1. het is zeker dat de stof zal worden gebruikt;
  2. de stof kan onmiddellijk worden gebruikt zonder enige verdere verwerking anders dan die welk bij normale productiepraktijken gangbaar is;     
  3. de stof wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en     
  4. verder gebruik is rechtmatig, met andere woorden de stof voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.

Ad. a) Volgens de RvS is er in dit geval geen reden eraan te twijfelen dat het glycerinewater zal worden gebruikt, omdat het lange tijd daadwerkelijk door vergisters wordt ingezet. De geringe waarde is daarbij niet van belang.

Ad. b) Aangezien het glycerinewater in het geheel niet wordt behandeld voordat het bij de vergisters wordt ingezet staat het voor de RvS vast dat aan de tweede eis wordt voldaan.

Ad. c) De RvS is van mening dat glycerinewater tot stand komt als integraal onderdeel van het productieproces en er vinden verder geen behandelingen plaats.

Ad. d) Dat vergisters een vergunning hebben voor het vergisten van afvalstoffen betekent niet dat iedere stof die zij vergisten – waaronder glycerinewater – per definitie een afvalstof zou moeten zijn.

Dit betekent dat indien glycerinewater afkomstig van biodieselproductie wordt ingezet als cosubstraat in een biovergister er geen sprake is van een afvalstof. Andere product-toepassingscombinaties zullen op hun eigen merites beoordeeld moeten worden. Desondanks biedt deze uitspraak aanknopingspunten voor combinaties die dicht bij deze specifieke casus aansluiten en bevestigt de RvS ook enkele algemeenheden. Het feit dat niet alle co-substraten die naar een biovergister gaan die een vergunning heeft om afval te verwerken de afvalstatus moeten krijgen is van belang voor de gehele voedings- en genotmiddelenindustrie.

Klik hier voor de uitspraak van de Raad van State.

Laatst gewijzigd: 8 oktober 2018