17 februari 2015

Wetenschappelijke grondslag vetconsumptie in VK en VS ter discussie gesteld

Brits – Amerikaanse wetenschappers concluderen in een recent gepubliceerde studie in BMJ Open Heart dat de in de jaren ’80 ingevoerde voedingsadviezen voor vetten in de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), waren gebaseerd op onvoldoende wetenschappelijke evidentie en nooit geïntroduceerd hadden mogen worden. Met een systematische review en meta-analyse van Randomized Controlled Trials (RCT’s) uit de jaren ’80 stellen de wetenschappers dat er geen verband bestaat tussen de inname van (verzadigd) vet en coronaire hartziekten. Helaas wordt weinig informatie gegeven over wat de voedingsinterventies precies inhielden en is bijvoorbeeld niet onderzocht waarmee het totaal- of verzadigd vet vervangen werd.

Onvoldoende wetenschappelijke evidentie
Eind jaren ‘70 en begin jaren ‘80 zijn in de VS en het VK voedingsadviezen ingevoerd met het doel de vetinname te reduceren tot 30 energie% en de verzadigd vetinname te reduceren tot 10 energie% opdat het risico op coronaire hartziekten teruggedrongen zou worden. Volgens de onderzoekers, onder wie Zoë Harcombe en James Dinicolantonio, is toentertijd niet al het beschikbare wetenschappelijk onderzoek meegenomen bij de totstandkoming van de richtlijnen voor vetten. Zo zijn – volgens de onderzoekers – de toen beschikbare RCT’s niet in de overwegingen betrokken.

Oude RCT’s alsnog onderzocht
Harcombe et al. hebben zes RCT’s, die waren uitgevoerd in de periode 1965 - 1978, alsnog onderzocht met een systematische review en meta-analyse. Bekeken is of de uitgangspunten van de richtlijnen voor vetten door de toen beschikbare en gepubliceerde RCT’s onderbouwd kunnen worden en of deze RCT’s ondersteunen dat het reduceren van de (verzadigd) vetinname zou bijdragen aan de afname van het risico op coronaire hartziekten en sterfte. Het aantal personen in de interventiegroep was 1227 en in de controlegroep 1240.

Relatie vet met coronaire hartziekten
Uit de meta-analyse blijkt dat er geen relatie was tussen de inname van de hoeveelheid (verzadigd) vet en coronaire hartziekten, ondanks het feit dat het cholesterolgehalte van het bloed in de interventiegroepen significant meer gedaald was dan in de controlegroepen. Er stierven in de controlegroep ongeveer evenveel mensen als in de interventiegroep, respectievelijk 216 en 207 personen. Volgens de onderzoekers zijn deze resultaten niet in overeenstemming met een belangrijke rol van de bloedcholesterolwaardes als een intermediaire uitkomstmaat voor coronaire hartziekten. Ook zijn de resultaten strijdig met de theorie dat de reductie van het (verzadigd) vetgehalte de kans op coronaire hartziekten verkleint.

Beperkingen studie
Een van de methodologische beperkingen is dat de meta-analyse maar een beperkt aantal studies omvat waarbij de inclusiecriteria niet geheel duidelijk zijn. Verder is een belangrijke limitatie dat de betrokken RCT’s maar zeer beperkte informatie geven over de vetzuursamenstellingen van de voeding van zowel de controlegroep als de interventiegroep. Zo is niet goed omschreven wat de voedingsinterventies precies inhielden en is bijvoorbeeld niet onderzocht waarmee het totaal- of verzadigd vet vervangen werd. Dit kan een belangrijke reden zijn waarom er geen verschil in coronaire sterfte werd gevonden tussen de interventie- en de controle groepen. Als het (verzadigd) vet bijvoorbeeld door verschillende voedingsstoffen vervangen zou zijn (bijvoorbeeld door koolhydraten of door meervoudig onverzadigde vetzuren) dan is het denkbaar dat eventuele positieve of negatieve effecten daarvan elkaar in de meta-analyse hebben uitgemiddeld.

Harcombe Z, Baker JS, Cooper SM, et al. Evidence from randomised controlled trials did not support the introduction of dietary fat guidelines in 1977 and 1983: a systematic review and meta-analysis. Open Heart 2015; 2:e000196.

Download hier de volledige publicatie.

Laatst gewijzigd: 24 februari 2015